medicijnen





medicijnen – herschreven

Medicijnen die bij langdurig gebruik nierstenen kunnen veroorzaken

Sommige medicijnen kunnen bij langdurig gebruik bijdragen tot het ontstaan van nierstenen. Dat gebeurt niet bij iedereen. Het risico hangt af van de dosis, hoe lang je het neemt, hoeveel je drinkt, je voeding en je eigen aanleg (bijvoorbeeld als je vroeger al nierstenen had).

Nierstenen ontstaan wanneer bepaalde stoffen in de urine te sterk geconcentreerd raken en kristallen vormen. Sommige geneesmiddelen veranderen de zuurtegraad (pH) van de urine. Andere verhogen stoffen zoals calcium, oxalaat of urinezuur in de urine. In een paar gevallen kunnen de medicijnresten zelf kristallen vormen en zo een steen maken.

Hoe kunnen medicijnen nierstenen uitlokken?

  • Meer “bouwstoffen” in de urine: bijvoorbeeld extra calcium, oxalaat of urinezuur.
  • Verandering van de pH: urine die te zuur of te basisch is, maakt sommige steensoorten makkelijker.
  • Kristallen van het medicijn zelf: sommige middelen slaan sneller neer en vormen kristallen.

Belangrijk om weten: dit is een risicofactor, geen zekerheid. Veel mensen nemen deze middelen jarenlang zonder ooit een steen te krijgen.

Overzicht van middelen die soms een rol spelen

  • Acetazolamide (Diamox): kan de zuur-basebalans beïnvloeden en de pH van de urine veranderen. Daardoor kan steenvorming makkelijker worden.
  • Topiramaat (Topamax): kan ook de zuur-basebalans verstoren. Het risico lijkt hoger bij hogere dosis en bij langdurig gebruik; voldoende drinken is dan extra belangrijk.
  • Vitamine C: hoge dosissen kunnen de hoeveelheid oxalaat in de urine verhogen (hyperoxalurie). Oxalaat kan samen met calcium kristallen vormen.
  • Triamterene (Dytenzide, Dytac, Dytac-Urese): kan zeldzame “triamterene-stenen” veroorzaken (stenen waarin het geneesmiddel of afbraakproducten zitten).
  • Calciumsupplementen met vitamine D (zoals Cacit): kunnen leiden tot meer calcium in de urine (hypercalciurie). Bij sommige mensen verhoogt dat het risico op calciumstenen.
  • Uricosurica (probenecid): verhogen de uitscheiding van urinezuur. Deze middelen worden nog zelden gebruikt bij jicht. Meer urinezuur in de urine kan urinezuurstenen uitlokken, zeker als de urine zuur is.
  • Fosfaatbindende maagzuurbinders zoals Rennie, Gaviscon en Maalox: kunnen bij langdurig of veelvuldig gebruik zorgen voor meer calcium in de urine.
  • Guafenisine (in o.a. Acatar, Inalpin, Nortussine, Longbalsem, Noscaflex Expectorans en Toplexil): bij hoge doses zijn guafenisine-stenen beschreven.
  • Efedrine (ephedrine): aanwezig in Endrine en in sommige magistrale oog- en neusdruppels; kan in zeldzame gevallen steenvorming geven.
  • Indinavir (Crixivan) en sommige andere antivirale middelen bij HIV: kunnen kristalliseren in de urine en zo nierstenen veroorzaken. Soms zijn deze stenen minder zichtbaar op klassieke beeldvorming. Bij klachten kan je arts daarom gerichter onderzoeken, afhankelijk van het soort medicatie.

Wat betekent dit voor je behandeling?

Stop niet zelf met een medicijn. Voor veel mensen zijn deze middelen nodig, en de voordelen wegen vaak zwaarder door dan het (meestal beperkte) risico op nierstenen. Als je arts weet dat een medicijn het risico kan verhogen, zijn er vaak eenvoudige maatregelen mogelijk.

  • Voldoende drinken: zo wordt je urine minder geconcentreerd. Een praktisch doel is dat je urine meestal lichtgeel is, verspreid over de dag.
  • Let op signalen: pijn in de zij (flankpijn), koliekpijn, bloed in de urine of terugkerende urineweginfecties laat je best nakijken.
  • Gerichte opvolging: bij herhaalde stenen kan je arts een 24-uurs urineonderzoek en/of bloedonderzoek voorstellen om te zien welke factoren bij jou meespelen.
  • Alternatieven bespreken: soms bestaat er een alternatief met minder risico op steenvorming. Dat hangt af van waarom je het medicijn neemt en van je andere gezondheidsproblemen.
  • Steenanalyse: als je een steen uitplast of die wordt verwijderd, kan analyse helpen om gerichter te voorkomen.

Nuances en risico’s

Niet elke niersteen is hetzelfde. Calciumoxalaatstenen komen het vaakst voor, maar er bestaan ook urinezuurstenen en medicatie-gerelateerde stenen. De aanpak kan verschillen per steentype. Daarom is de combinatie van je medicatielijst, urineonderzoek en soms steenanalyse nuttig om het risico correct in te schatten.

Wanneer contact opnemen?

  • Als je plots hevige pijn in de zij of onderrug krijgt (koliekpijn), zeker met misselijkheid of braken.
  • Als je bloed in de urine ziet (rood of bruin), of als dit wordt vastgesteld op urineonderzoek.
  • Bij koorts, rillingen, pijn in de zij en branderig plassen: dat kan passen bij een urineweginfectie met mogelijke blokkage.
  • Als je nierstenen hebt gehad in het verleden en je start (of neemt al lang) een van bovenstaande medicijnen.
  • Als je vragen hebt over je medicatie, dosering of opvolging.

Samenvatting

Een aantal medicijnen kan bij langdurig gebruik het risico op nierstenen verhogen, maar dat betekent niet dat je zeker stenen krijgt. Bespreek je medicatie altijd met je arts. Vaak kan je risico dalen door voldoende te drinken, alert te zijn voor symptomen en, indien nodig, gerichte opvolging te doen.

Medische disclaimer

Deze tekst is algemene informatie en helpt je om je consultatie beter te begrijpen. Hij vervangt geen persoonlijk medisch advies. Neem bij klachten of vragen contact op met je arts.